Ad van Sleuwen

Ad van Sleuwen studeerde aan het Brabants Conservatorium piano bij Gerard van Blerk, Theorie der Muziek bij Jan van Dijk en orgel bij Hub.Houët. Verdere verdieping volgde hij Ewald Kooiman, Luigi Yagliavini en Ton Koopman. Ad van Sleuwen was tot 2015 Hoofdvakleraar orgel, docent muziekgeschiedenis, methodiek orgel, uitvoeringspraktijk en theoretische vakken aan het Fontys Conservatorium te Tilburg. Hij publiceerde, samen met de orgeldeskundige Frans Jespers, over orgelhistorische zaken. Hij legde eerder de klank van historische orgels vast op een vijftiental CD's en verzorgt regelmatig radio-opnamen voor diverse omroepen. Ad van Sleuwen concerteert als solist in Nederland, België, Frankrijk, Duitsland, Denemarken, Rusland, Italie en Portugal. Als organist is hij verbonden aan de Petruskerk te Hilvarenbeek en is daar sinds begin 2015 stadsorganist.
Sinds 1997 is Ad van Sleuwen in het bezit van een fraai gerestaureerde Erard concertvleugel uit 1844. Dit gaf aanleiding om samen met de Russische pianiste Jelena Bazova een duo te vormen, dat zich specialiseert in de pianoliteratuur voor vier handen uit de Erardperiode. Het duo gaf concerten in Nederland en Rusland en maakte opnamen voor de NPS.
Ad van Sleuwen is adviseur van de Brabantse Orgelfederatie.

Tilburg, Pauluskerk, Bätz-orgel,
Georg Böhm,
Abraham van den Kerckhoven,

Johann Ludwig Krebs
(gespeeld door Ad van Sleuwen, opname 31 maart en 1 april 2008)



Website www.advansleuwen.nl


Ad van Sleuwen in 2015 benoemd tot titulair 'stadsorganist' van Hilvarenbeek!

Na de Algemene Ledenvergadering van de Brabantse Orgelfederatieop zaterdag 18 april 2015 werd Ad van Sleuwen tot zijn verrassing door de burgemeester van Hilvarenbeek ter plekke benoemd tot stadsorganist van Hilvarenbeek. Dat gebeurde in de Sint-Willibrorduskerk te Diessen, nadat hij het afrondende concert van de ALV op het schitterende Van Hirtum-orgel had verzorgd.

Burgemeester Palmen heeft zojuist de oorkonde die bij de benoeming hoort overhandigd aan Ad van Sleuwen.






Ad van Sleuwen in 2010 koninklijk onderscheiden

Op zondag 19 september 2010 is na afloop van de mis in de Sint-Petruskerk in Hilvarenbeek Ad van Sleuwen benoemd tot Lid in de Orde van Oranje-Nassau. Hij kreeg de versierselen opgespeld door D. van de Vondervoort, burgemeester van Bergeijk.

Op die zondag werd bij de mis het veertigjarig bestaan gevierd van De Beekse Cantorij, welke cantorij Ad al sinds de oprichting begeleidt. Ook enkele koorleden zijn al 40 jaar verbonden aan deze cantorij. Voor Ad van Sleuwen totaal onverwacht kreeg de burgemeester van Bergeijk, waaronder Hilvarenbeek ressorteert, na de viering het woord. Ad van Sleuwen werd ter gelegenheid van dit 40-jarig jubileum onderscheiden op basis van al zijn verdiensten op cultureel en muzikaal gebied.
Precies 40 jaar geleden volgde Ad van Sleuwen zijn vader op als organist van het Van Hirtum-orgel in de Sint-Petruskerk in Hilvarenbeek. Hij is tevens hoofdvakleraar orgel, docent muziekgeschiedenis, methodiek orgel, uitvoeringspraktijk en theoretische vakken aan het Fontys Conservatorium te Tilburg. Naast het geven van concerten in binnen- en buitenland heeft Ad van Sleuwen veel gedaan voor de culturele uitwisseling van musici uit Nederland en Rusland. Hij is samen met Frans Jespers auteur van “Tot roem van zijn makers, een studie over J.J. Vollebregt en Zoon, Meester orgelmakers te ´s-Hertogenbosch”. Dit ‘standaardwerk’ over de orgelmakers Vollebregt werd in 1978 uitgegeven door het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant. Ad van Sleuwen is medeoprichter en bestuurslid van de Midden Brabantse Orgelkring, alsmede medeoprichter van de Hilvarenbeekse Torenstichting. Ook was hij nauw betrokken en mede-initiator van de Brabantse Orgelfederatie. Als bestuurslid van het eerste uur gaf hij mede richting aan de activiteiten van deze vereniging. Hij werkt belangeloos mee met zijn muzikale inbreng bij excursies van deze federatie en de daarbij uitgegeven cd’s. Hij was de initiator en medeorganisator van tweemaal een Festival Nieuwe Muziek dat door de Brabantse Orgelfederatie in Eindhoven en Tilburg werd georganiseerd.

 

Orgel-CD van Ad van Sleuwen en Martien van Woerkom.

Ad van Sleuwen (orgel) en Martien van Woerkum (flauto traverso).
CD met concerti van Telemann (traverso+orgel en orgel solo), 2010. Meer info


Interview met Ad van Sleuwen

Wim van der Ros.

Een gesprek met Ad van Sleuwen inspireert.
Wanneer je bij hem thuis in zijn “muziekstudio” praat over zijn leven, de betekenis van de muziek en het orgel daarin, dan spat in iedere zin het enthousiasme er vanaf, dan word je door hem meegenomen in zijn idealen en meegetrokken in zijn genieten. Dan voel je hoe hij met zijn doen en laten ook omgaat met zijn studenten. Hoe hij klankvoorbeelden geeft op zijn pianoforte en op zijn dierbare Erard-vleugel, hoe hij je meeneemt naar de omstandigheden ten tijde van Mozart en Beethoven, toen “de Steinway” er nog niet was: “nee, toen werd er echt gespeeld op zo’n pianoforte”. Een gesprek dat dagen kan duren zonder dat je je een minuut verveelt.

Ad van Sleuwen, docent aan het Fontys Conservatorium in Tilburg, is sinds 1970 organist van het Van Hirtum-orgel in Hilvarenbeek. Een orgel waarop de befaamde Beekse orgelmaker zelf organist is geweest, en dat in 2005/2006 piëteitvol gerestaureerd werd door orgelmaker Hans van Rossem en zijn karakter herkreeg. Een goede aanleiding om eens een middag dieper met hem in gesprek te gaan.

Met de paplepel ingegoten?
Wetend dat Ad in 1970 zijn vader is opgevolgd als organist van de Petruskerk in Hilvarenbeek, is de vraag voor de hand liggend of de muziek en het orgelspel hem met de paplepel is ingegoten. “Het is wel opmerkelijk dat mijn opa van moeders kant kerkmuziekschool had gedaan en in Tilburg organist en koordirigent was. Naast zijn organistschap van de Hasseltsekerk gaf hij ook pianoles en schreef hij o.a. koorwerken. Hij overleed in 1951 toen ik amper een half jaar oud was. Hij leefde in een tijd dat het vak van musicus een bestaan van keihard werken was met niets verdienen. Je kreeg per les betaald en wanneer je ziek was of wanneer er zomers geen lessen waren, dan kreeg je gewoon niets, dan moest je maar zien hoe je rond kwam. Mijn pa had orgel gedaan en was hier in Hilvarenbeek in 1945 organist geworden. Nederland was toen net in opbouw, maar als musicus was er geen droog brood te verdienen. Hij begeleidde wel op allerlei plekken, maar pakte tevens een andere studie op om uiteindelijk een accountantskantoor op te zetten.” Wanneer Ad vertelt over het verleden, hoor je hem direct de omstandigheden uit die tijd omschrijven, omstandigheden die invloed hebben op ontwikkelingen en keuzes. En dat zoeken en vorsen naar omstandigheden in allerlei tijden hoort bij Ad, dat blijkt in het hele gesprek wanneer we het hebben over orgels en componisten in hun tijd. “De omstandigheden en de ontwikkelingen van toen moet je kennen, wil je muziek, wil je componisten, wil je orgelbouw kunnen begrijpen”.

“Moeder zong. Zij heeft operettes gedaan. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat hoorde ik dat. De piano klonk vaak bij ons thuis. En wat ik als kleine jongen ’s avonds terwijl ik in bed lag, hoorde, dat speelde ik de volgende morgen op de piano na. Ik had (en heb) een absoluut gehoor. En toen in 1955 de muziekschool werd geopend, ging ik als 5-jarige daarheen. Ik kreeg pianoles van de heer Moerman, die studeerde toen nog conservatorium, en ik speelde – op mijn absolute gehoor – alleen maar na. Pas later in de 4e klas ging ik noten lezen. Vanaf mijn 4e jaar stond ik al vaak naast mijn pa bij het orgel. Toen stond het orgel nog dwars achterin op de orgelgalerij in de toren. En er was altijd wel wat met dat orgel, dus ik wist al snel hoe je kleine storingen moest verhelpen.”

Van leerling tot docent
“Op mijn 12e zei pa dat ik maar naar Tilburg moest voor “echte orgelles”. Toen ben ik ook gaan lessen bij Adriaan Struijk (uit Zevenbergen). Hij was een leerling van Flor Peeters. We deden toen de “orgelschool van Lemmens”. Toen, in 1962, speelde je alles legato, dat kan (maar dat is achteraf gezien) toch helemaal niet. En al snel wilde ik naar het conservatorium, maar pa stond erop dat ik eerst mijn middelbare school zou afmaken. In die tijd viel er gelukkig wel wat te regelen omdat ze kleine klasjes hadden. Zo ben ik uiteindelijk in 1967 begonnen aan het conservatorium in Tilburg met piano bij Gérard van Blerk en orgel bij Hub Houët; na zijn hartinfarct vervolgde ik orgel bij Maurice Pirenne.”.
“Na het derde jaar op het conservatorium ging ik hoofdvak theorie doen bij Jan van Dijk. Harmonie en contrapunt vond ik bar interessant, dat boeide me. Eind augustus ’75 vroeg Andries Clement (de directeur van het conservatorium) me of ik solfège wilde gaan geven (Jos van Amelsfoort ging toen met pensioen). Dat gebeurde eerst voor 8 uur in de week. Vanaf die tijd is het conservatorium eigenlijk uit zijn voegen gebarsten, steeds grotere aantallen leerlingen meldden zich aan. Later ben ik muziekgeschiedenis gaan geven, uitvoeringspraktijk piano, improvisatie piano en tenslotte hoofdvak orgel. Uiteraard had ik de nodige studies en masterclasses gevolgd”.
“In 1975 leerde ik Frans Jespers kennen. We lagen elkaar en hadden gemeenschappelijke interesses. Van het één kwam het ander. Zo verschenen o.a. “De Orgelmakers Van Hirtum” (1976), een jaar later “De Kronyk van de familie Van Hirtum” en “De Orgelmakers Vollebregt” (1978).

“Lesgeven is uitdragen waarin je gelooft!”

De vraag ligt voor de hand wat nu het boeiende is aan het lesgeven. “Ik vind het geweldig om kennis over te dragen, om mensen te enthousiasmeren. Daarbij ben ik altijd op zoek naar de waarheid. Ik wil weten in welke omstandigheden een componist leefde, wat zijn werk beïnvloedde, welke instrumenten hij ter beschikking had. Dat vergt studie en inleving. De student moet voelen dat je erachter staat wanneer je iets wilt overbrengen. En dat betekent tevens dat ze feitelijk het juiste instrument moeten gebruiken voor de juiste stijlperiode. Ik geef ze ook wel eens de opdracht een bepaald stuk in te studeren en daarna te spelen op diverse instrumenten. Kijk eens wat er gebeurt met dat stuk, ieder instrument vraagt dan om een andere aanpak. En wat past dan optimaal, hoe beleef je dat in je eigen spel op die diverse instrumenten. Speel je werk van Mozart en van Beethoven alleen maar op een Steinway, of past het –gelet op de tijd en de omstandigheden– niet beter op de pianoforte? Hoe moet je het nu laten klinken, waarbij je als speler je spel zo moet aanpassen dat de muziek, het karakter, overeind blijft. Dat gevoel moet ik ze meegeven.”
“Daarnaast zijn we op het conservatorium voor de studenten toetsinstrumenten bezig de interessegebieden te verbreden. Je weet dat het drukwindharmonium zeer in opkomst is. Dat instrument leent zich uitermate goed als begeleidingsinstrument voor zangers en strijkers. Bij harmoniumspel heb je natuurlijk tijdens een concert het voordeel dat het aardig is voor het publiek om de speler te kunnen zien. Bij het orgel zit je veelal anoniem, althans onzichtbaar, aan de klavieren. Uiteraard heeft de orgelstudent het vak basso continuo, denk maar aan het continuospel bij b.v. passies.”

Het concertleven
Zo’n zes jaar geleden heeft Ad 20% “ingeleverd” van zijn werk op het conservatorium om meer tijd vrij te maken voor studie en voorbereiding voor concerten, voor concertreizen en voor eigen ontwikkeling. “De regio waarin ik speel wordt ook steeds groter. Eerst was het een grote cirkel om Tilburg. Maar het werd al snel Europa.” En over het karakter van een orgel: “ Wanneer je een orgel met kwaliteit hebt, dan kan je over grenzen heen mits je goed met je muziek en met je instrument weet om te gaan. Een “compromis-orgel” laat wat dat betreft feitelijk geen ruimte. Voor Sweelinck mis je dan de middentoonstemming, voor Messiaen mis je de symfonische inslag. Een orgel met karakter biedt je de mogelijkheid je repertoire op te rekken buiten het muzikale gebied van het ontstaan van het betreffende instrument. Dan kan je op een orgel als dat in Helmond verrassen met het Ad Nos van Liszt. Of ga, zoals b.v. in het Mozart-jaar, niet de bekende dingen spelen, maar ga zoeken naar b.v. de twee werelden: kijk eens naar Fuga’s van Albrechtsberger en kijk eigentijds naar symfonische muziek van b.v. Haydn. Dan kan je mensen iets meegeven. Daarom ben ik ook graag op zoek naar onbekend repertoire. Ik snuffel graag in antiquariaten en archieven of ik neem wat mee van collega’s in het buitenland. En vooral wanneer je in onbekend repertoire duikt, krijg je een completer beeld van een componist. Ook een componist leeft bij de gratie van zijn omgeving. Maar besef wel dat je eerst platgetreden paden moet hebben bewandeld om verder te komen: dan wordt het “andere” steeds interessanter. Voor iedereen geldt: ga eerst bezig met een stuk basisrepertoire, dat is noodzakelijk, en doe dan al of niet de vervolgstap; dat is je eigen keuze.
Overigens wat me bij concerten in Rusland altijd opvalt, is dat warme gevoel. Daar is het publiek heel ontvankelijk voor muziek die ze niet kennen. Daar is nog lang niet alles verkrijgbaar. Maar het publiek is wel kritisch en wil kwaliteit horen. En dan zit je in Petersburg met zo’n 900 tot soms wel 1.300 toehoorders; kom daar maar eens om in Nederland!”

000000


Een organist is een bevlogen persoon
“Wanneer je naar alle musici kijkt, is de organist het meest begaan met zijn cultuur. Die organist krijg je bij nacht en ontij zijn bed uit om in een koude kerk de tongwerken te stemmen. Dat is geloven in waarmee je bezig bent, dat is ervoor gaan. Het nadeel is wel dat een deel van “het publiek”, en daar schaar ik ook sommige concertcommissies onder, je dan soms voor een appel en een ei wil laten spelen. Dan krijg je zelfs opmerkingen als “U speelt toch graag”. Men gaat er totaal aan voorbij dat je het betreffende instrument eerst wilt leren kennen, je wilt uitregistreren, je rijdt dus een keer extra, je investeert meer tijd dan alleen maar het uur van het concert. En dan blijkt er een grote discrepantie te zijn tussen de investering van studie, tijd e.d. en de daaraan gerelateerde opbrengsten. Wat krijg je dan feitelijk (inclusief de reiskosten) voor een uurvergoeding? Wat dat betreft is het in de kunstsector maar mondjesmaat bedeeld. Maar als die bevlogenheid van organisten er niet was, dan was de orgelcultuur ten dode opgeschreven, nee, hartstikke dood. Er is een diepe betrokkenheid met de bouw van het instrument, met de sociale en maatschappelijke omgeving in de historie, met de uitvoeringspraktijk. We proberen ons steeds meer in te leven en komen zo steeds dichter bij de waarheid. Vind je dat bij een ander instrument?

“Welke musicus is zo met een instrument
en de muziek bezig als een organist?”

Welke musicus is zo met een instrument en de muziek bezig als een organist? En dat gevoel wil ik oproepen, dat wil ik doorgeven. Dat doe ik niet alleen bij mijn studenten, dat doe ik ook als toelichting bij mijn concerten. Trouwens, we hebben nog heel wat te leren vanuit het kamermuziekcircuit: ga na afloop koffie drinken met je publiek, praat en blijf betrokken, kom uit die anonimiteit.”

Is er nog toekomst voor organisten?
“Voor die toekomst ben ik niet bang. Een overdosis aan concerten in allerlei kerken en met allerlei kwaliteiten: laat het maar gebeuren. Dan heb je misschien wat minder publiek per concert, maar het publiek wordt ook veeleisender. Dat vraagt om kwaliteit. Dat ontwikkelt zich wel. Een tekort aan leerlingen in de orgelopleiding? Dat kentert op termijn wel weer. Straks hebben we veel mooie orgels en te weinig organisten. Wanneer dat doordringt zullen ook kerken iets willen bieden aan organisten: niet alleen inhoudelijk een prachtig instrument, en als logisch voortvloeisel een normale honorering, maar vooral zal de kerk vanuit de liturgie inhoudelijk meer moeten bieden. Ook jongeren worden nog steeds gegrepen door het orgel, worden geboeid door de muziek in samenhang met dit instrument, en dan in alles wat daarmee samenhangt. De concourswereld is er wel voor de viool of de piano. Voor het orgel is het nog meer anoniem, je hebt minder mensen, minder media. Dat kan en zal veranderen, wanneer we met z’n allen maar werken aan die muzikale inhoud van wat we willen laten klinken en dat goed willen en kunnen overbrengen.”
“In Hilvarenbeek prijs ik me gelukkig met een fantastisch positieve opstelling van het kerkbestuur. We hebben alle soorten instrumenten in de kerk. Er heerst een fijne muziekcultuur. Martien [van Woerkum] speelt traverso. Voor, tijdens en na de dienst klinkt er hoogwaardige muziek waarvoor mensen na afloop blijven zitten. Dat inspireert en verplicht ons ook! Ieder is zich bewust van de verantwoordelijkheid ook dit stuk cultuurgoed van instrumenten en de muziek in stand te houden en door te geven aan toekomstige generaties. Zo ging dat ook rond de restauratie van ons Van Hirtum-orgel hier in Hilvarenbeek. Dat is een fantastisch besef van de plicht die we met z’n allen hebben.”

Bij zijn 25-jarig jubileum ontving Ad van zijn vriend Martien
van Woerkum in 1995 een schilderij van diens hand van het
interieur en het orgel van Hilvarenbeek.

Uit 'Brabantse Orgelkrant 2008'