Orgelkring Land van Cuijk en Noord Limburg 'Gregorius van Dijk'

Graag wil ik ons voorstellen. 'Gregorius van Dijk' is een orgelkring die opereert in het buitengebied van onze provincie. Voor velen hoort de streek achter de Peel al tot het buitenland, wat feitelijk ook wel klopt. Zelfs de streektaal heeft meer met het Gelders dan met het Brabants van doen. Geografisch bestrijken wij het gebied ten oosten van de Peel tussen Grave en Venray. Boxmeer was als vrije heerlijkheid een katholiek bolwerk ten tijde van Staats Brabant, en het was de geestelijkheid van Boxmeer en Gemert die al de vrije enclaves in het noord-oosten van Brabant als reactie op de Reformatie voorzagen van priesters en welluidende orgels. Het orgelklimaat in Brabant stelde intussen niet veel meer voor, maar via orgelmakers vanuit Nederrijn (“Pruisisch Gelre”, Kleef en Emmerik) en vooral Vlaanderen (Mechelen) kwamen hier fraaie instrumenten.


Wie was Gregorius van Dijk?



Sinds de gouden eeuw kende Boxmeer minstens twee grote musici binnen de muren van het Karmelietenklooster. Van 1679 tot 1716 was dat Benedictus a Sancto Josepho, ook wel Buns genaamd, en van 1843 tot zijn dood in 1894 woonde hier Alexander van Dijk die als kloosternaam Gregorius voerde. Beiden stonden niet alleen te boek als gevierd organist, maar ze maakten zich ook sterk voor de orgelcultuur. Zo streed Buns midden in Staats-Brabant als een ware contra-Reformist voor het Katholieke erfgoed, en wierp Gregorius van Dijk zich op voor het orgelbestand na het herstel van de Bisschoppelijke Hiërarchie.

1. Alexander en Gregorius van Dijk
Op 29 maart 1816 werd in Kleef (D.) Alexander Gerardus van Dijk geboren als zoon van borstelmaker Peter van Dijk. Alexander van Dijk werd beroepsmusicus en stond bekend als een vaardig bespeler van viool, piano en orgel. Van Dijks necrologie (in het Karmelietenklooster van Boxmeer) maakt gewag van een opleiding aan het Conservatorium van Berlijn, maar dit lijkt wegens het gebrek aan bewijs legendarisch. De hele familie Van Dijk moet erg muzikaal geweest zijn; was Alexander een kind met een aangeboren hoge begaafdheid? Omstreeks 1835 vestigde hij zich als muziekleraar te Ravenstein, welke plaats hij in september 1837 al verruilde voor Woerden, waar hij muziekleraar aan een kostschool werd; ook werkte hij van daaruit in Bodegraven.
Op 6 mei 1843 werd Alexander in het Karmelietenklooster van Boxmeer geprofest als Broeder Gregorius. Zo was Van Dijk terechtgekomen in een klooster met een rijke muziektraditie. Pater Benedictus Buns (1642-1716) had er zijn vele muziekwerken geschreven, en speelde een belangrijke rol in het Brabantse orgelleven (zie “De grenzen te buiten” in het julinummer van Het Orgel 2006). Nog slechts drie paters bewoonden het klooster in 1840, maar in de jaren daarna groeide dit aantal gestaag. Broeder Van Dijk hoorde bij de eerste ‘nieuwe’ kloosterlingen.
Bij verschillende gelegenheden liet Gregorius van Dijk heel zijn muzikale familie uit het Duitse overkomen, en in het binnenpand van het klooster werd dan naar hartelust gemusiceerd. Dit is des te opmerkelijker, omdat Van Dijk te boek staat als een uiterst verlegen en bescheiden man: als hij overdag in de kerk achter het orgel zat, duldde hij niet dat men naar hem luisterde. Sommigen kenden de tijd waarop hij speelde, gingen dan de kerk binnen en hielden zich schuil achter een pilaar. Zodra de broeder dit merkte hield hij op met spelen en beende geërgerd weg. Hij was er absoluut niet toe te bewegen zijn muziek uit te geven; die schreef hij bij voorkeur op oude tabakszakjes. Over Van Dijks spel schreef een oorgetuige:

Heerlijk klonk het in ons kindergemoed door, als kunstenaar-organist, broeder Van Dijck,
op het groote orgel den aandrang volgde van zijn begaafdheid en in heerlijke fantasieën
uiting gaf van het overweldigend schoone der gewijde muziek. Dan stond alles stil, zelfs
de weinig ontwikkelde begreep, dat daarboven een bijzonder mensch zat, die op de hem eigen
wijze, lof bracht aan den Heer der Heerscharen en in zijn hoogopzwierende tonengolven de
wijding wist te leggen van het harmonieuze, dat de geheele natuur doordrongen en opgebouwd heeft.
Dan sidderde ons jeugdig gemoed voor eene zoo machtige kunst.

Na een verdienstelijk leven stierf broeder Gregorius te Boxmeer op 11 januari 1894.

De ruim vijftig jaren die broeder Gregorius in Boxmeer doorbracht als organist, portier en muziekleraar bestempelen hem als muziekpedagoog en orgeldeskundige. Als muziekpedagoog leidde Van Dijk enige kerkelijke musici van naam op, onder wie W.I. Reijniers (in opleiding van 1858 tot 1868), de gebroeders Giessen, C.F. Le Blanc en E. Franssen. Pastoor Le Blanc noemde hem “een der meest uitstekende organisten der latere jaren, een wel niet algemeen bekend, maar toch om zijn invloed en onderrichting vruchtbaar meester (...) een meester, die in de verborgenheid des kloosters leefde”. Over Van Dijks orgeldeskundigheid handelt het vervolg van dit artikel. Van broeder Van Dijk bleven een map met correspondentie en een tweetal beken in het kloosterarchief van Boxmeer bewaard. Daaruit blijkt, zoals ook zijn leerling Elbert Franssen getuigt, dat de broeder een bereisd en belezen man moet zijn geweest met een brede artistieke belangstelling. Vooral muziektheorie en orgelbouw trokken zijn aandacht. Zo treffen we in de correspondentie aanteke-ningen aan uit het tijdschrift URANIA, terwijl hij bovendien geabonneerd was op de Nederlandse tijdschriften CAECILIA en het SINT GREGORIUSBLAD, alsmede de Duitse uitgaven FLIEGENDE BLÄTTER en MUSICA SACRA. De schenking van veel theorieboeken ter gelegenheid van zijn gouden kloosterfeest in 1892 toont aan dat deze interesse tot op hoger leeftijd is blijven bestaan. Ook is van broeder Gregorius een reeks Duitse gedichten bewaard gebleven, welke getuigen van een uiterst vroom en gevoelig karakter. In het Karmelietenklooster bewaart men twee afbeeldingen van de broeder: een tekening van J. Bosboom en een geschilderd portretje van 15 bij 20 cm, kennelijk gekopieerd van een groepsfoto van de Boxmeerse kloosterlingen.

2. Het orgel in Boxmeer
Het orgel waarvan Gregorius van Dijk zo lang de vaste bespeler geweest is, kent een bewogen geschiedenis waarop onze broeder ook enige invloed heeft uitgeoefend. Het bewuste instrument werd in 1677 in opdracht van de karmelieten door Blasius Bremser te Mechelen gebouwd. Waar het orgel met zijn twee klavieren en een aangehangen pedaal, alles in één kas, precies stond opgesteld is niet zonder meer duidelijk. Stond het net als zijn voorgangers in het ondiepe noordertransept, of kwam het van meet af aan op het schitterende oksaal dat de heren van Bergh in 1637 te hunner glorie in de kerk hadden laten aanbrengen? In 1731 stond het hoe dan ook tegen de torenwand: blikseminslag in de toren beschadigde het instrument zwaar; de schade werd hersteld. De eerste disposities die we van het orgel kennen stammen uit de 19de eeuw. Broekhuyzen (ca. 1865) noemt er twee (B52 en B53) en Van ’t Kruys (1885) vermeldt het instrument op pagina 75. De eerste opgave van Broekhuyzen betreft echter het orgel van Cuijk en de tweede noemt een uitbreiding van het Boxmeerse orgel met een vrij Pedaal door Rütter, hetgeen een contract van Rütter in het kloosterarchief bevestigt. Ook noemt Broekhuyzen een derde klavier als borstwerk. Borstwerk was in de zuidelijke Nederlanden de gangbare naam voor Echo-, Reciet- of discantklavier. Waarschijnlijk laat de situatie zich als volgt reconstrueren: in 1841 trof broeder Gregorius een oud en verwaarloosd orgel aan. Het bezat wellicht een Hoofdmanuaal en een Onderpositief, al spreekt Van ’t Kruys over een Hoofd- en een Bovenmanuaal. Broeder Van Dijk verzocht het orgel te laten repareren en het te laten uitbreiden met een vrij Pedaal en wel door zijn landgenoot en kennelijk toegenegen orgelmaker Wilhelm Rütter (1812-1887) uit Kevelaer. Deze Rütter diende in april 1844 een offerte in voor een Pedaal met twintig tonen en daarop de registers Subbas 16', Octavbass 8' en Violoncello 8'. Feitelijk zou hij boven dit bestek nog een Bazuin 16' als tongwerk leveren. Deze situatie is kort voor 1850 door Joh. Bosboom vastgelegd op een schilderij, getiteld ‘Cantabimus et psallemus’ en daarna als gravure verspreid. Hierop is broeder Gregorius afgebeeld met kwijnende gelaatsuitdrukking achter het orgel. De klavieren en de registertrekkers zijn hierop vrij precies zichtbaar: er zijn zes trekkers links van de lessenaar (Onderpositief), elf rechts (Manuaal), vier linksonder (Pedaal). Dat deze aantallen niet exact kloppen kan liggen aan het gezichtspunt van de schilder en aan de plaatsing van de koppels. De dispositie die broeder Gregorius aan Van ’t Kruys in 1884 zelf opstuurde mogen we gerust als de meest betrouwbare beschouwen; mogelijk gaat die terug tot 1844. In 1885 verplaatste men het oksaal met het orgel, gelijktijdig met een grootscheepse verbouwing van de kerk, naar het verdiepte zuidertransept. Hoewel Van ’t Kruys al meldt dat een spoedige restauratie wenselijk is, komt het pas in 1914 tot een ingrijpende ombouw: de tractuur werd gepneumatiseerd en er waren verschillende transmissies. Na zware oorlogsschade herstelde men het orgel in 1952.



Uiteindelijk werd het oksaal in 1957 weer tegen de toren gezet, en twee jaar later kwam in de oude orgelkas een geheel nieuw mechanisch orgel, gebouwd door Verschueren uit Heythuysen. Zonder enig historisch verband te respecteren is het orgel in Hoofd- en Rugwerk gesplitst, met daarin een eng gemensureerde vrije imitatie van een Frans Barokorgel.

3. De kring om broeder Gregorius
Uit de correspondentie die van broeder Gregorius bewaard bleef valt af te leiden dat dit slechts een klein deel van zijn hele correspondentie omvat. Toch geeft de collectie voldoende beeld op zijn opvattingen en activiteiten. In zijn kennissenkring zijn drie groeperingen te onderscheiden: geestelijken, orgelmakers en organisten (onder wie veel leerlingen van Gregorius zelf). De geestelijken polsten de broeder over orgelzaken, en stuurden hem soms complete bestekken. Ze schijnen het volste vertrouwen in Van Dijk gehad te hebben, ook al adviseerde hij vanuit Boxmeer. We noemen kapelaan A. van der Veeken uit Ravenstein (brief 30-4-1862), kapelaan P. Nabben uit Sevenum (27-6-1862), pastoor G. Smulders uit Dinther (14-8-1868), pater Stockman uit Bolsward (1872), pastoor V. Rijke uit Waalwijk (27-5-1875), de prior van het Karmelietenklooster te Zenderen (19-1-1886) en pastoor G.H. Rengs van Spaarnwoude (kort voor 1889). Van de orgelmakers zijn er jammer genoeg slechts enkele brieven bewaard gebleven. J.J. Vollebregt (Vught) schreef de broeder op 21-5-1854 en op 26-5-1855. Arnold Clerinx (Sint Truiden) deed dat op 29-5-1855. Ibach uit Barmen stuurde op 26-6-1871 een brief en P.J. Adema (Amsterdam) op 4-11-1887. Indirect ingezonden offertes zijn aanwezig van Rütter (o.a. 1844 en 1867), Franssen (1854 en 1862 Horst en 1887 Roermond), Loret (1875 Mechelen), Schyven (1875 Brussel) en Winkels (1862 Venray). Ten dele komen de besproken onderwerpen later aan de orde. Als greep uit de organisten die broeder Gregorius schreven noemen we P.W. Mennings uit Rotterdam, H. Kühne uit Grave (evenals Van Dijk afkomstig van Kleef), P. Müller uit Utrecht, W.I. Reijniers uit Rolduc (later Tilburg), Jos Luyten uit Roermond (van 1876 tot 1921 organist van de kathedraal), J. van Reymersdael uit Helden (een neef van Gregorius?), Th. Bouman uit Maaseyk, H.M. Strick uit Boxmeer, J.A. Janssen uit Afferden, W. Trienekens uit Culemborg, L. Giessen uit Rijkevoort en G. Raetsen van Rolduc. Van elk bleef één brief bewaard, maar van Reijniers vier. Ook veel organisten vroegen adviezen in orgelaangelegenheden. Soms noteerde Van Dijk zijn antwoord in klad op de bewuste brief zelf. Kennelijk gold broeder Gregorius op den duur in heel Nederland als een autoriteit op het gebied van de orgelbouw. Uit de lijst van door hem zelf gekeurde orgels blijkt dat hij ook in het Duitse en Belgische grensgebied gezag genoot. Overigens zijn enkele brieven en aantekeningen niet aan een bepaalde auteur toe te schrijven. Behoudens deze correspondentie is er een grote verzameling disposities, ten dele niet te ontcijferen vanwege het minuscule kriebelige handschrift van de broeder.

4. Opvattingen
Er is slechts een tiental voorstellen voor nieuw- of ombouw van orgels van broeder Gregorius bewaard gebleven, waarvan sommige niet eens gedateerd. Een scherp beeld van de ontwikkeling van Van Dijks ‘ideale’ orgel krijgen we derhalve niet te zien. Uitgangspunt is het tweeklaviers orgel met vrij Pedaal. Op het Manuaal disponeert broeder Gregorius Bourdon 16', Bourdon of Holpijp 8' en een Flauto Dolce 4' als fluiten plus op grotere orgels steevast de Gemshoorn 8' die hij ook wel Portunaal noemt. Het prestantenkoor hierbij bestaat uit 8-, 4- en 2-voet, meestal met een 3-sterke Mixtuur; op grotere orgels tevens een Quint 2 2/3'. Verder is er een strijker alsmede een Trompet 8'. Op het Positief vormt de Gedekt 8' de basis, met daar naast een 8-voets strijker (heeft het Manuaal een Viola di Gamba, dan hier een Salicionaal, of andersom). Verdere vaste elementen zijn de Flauto traverso 4' en een doorslaand tongwerk 8' (Clarinet, Euphone of Harmonica). Iets grotere orgels krijgen er een 4-voets strijker en een fluit 2' bij. De minimale bezettingvan het Pedaal is een Subbas 16' en een Violoncello 8'. Uitbreidingen vinden gestalte in meer gedekten, strijkers en tongwerken. Deze opvattingen steken niet af tegen de gewone smaak van die tijd. Hert staat vast dat broeder Gregorius zich uitvoerig liet voorlichten over nieuwe projecten. Recensies over orgels in Duitsland en Nederland schreef hij over voor zijn verzameling. Zo vroeg hij Adema om toelichting op de ombouw van het Mozes en Aäron-orgel te Amsterdam, en Vollebregt om disposities van enkele van diens nieuwe orgels. De weinig lovende recensie door “K” (“Kuipers” noteert Van Dijk) van het Cavaillé-Coll-orgel in de Augustinuskerk te Amsterdam in DE TIJD van 6 september 1881 vinden we terug in de notities van de broeder. Ook reisde hij naar veel plaatsen om er orgels te keuren, te bespelen uit eigener interesse of om ze te beluisteren. Omstreeks 1880 maakte hij een lijst van de door hem tot dan toe bezochte orgels (inv. IV5). Aldus behield hij een goed zicht op de ontwikkelingen in de orgelbouw. Enkele zaken in zijn adviezen trekken nader de aandacht. Hoog in zijn vaandel staat blijkbaar een gunstige prijs. Vandaar dat orgelmakers als Rütter en Franssen op zijn goedkeuring kunnen rekenen. In deze lijn beklaagt Vollebregt zich in 1855, dat hij het orgel van Sint-Anthonis onder druk van Gregorius te goedkoop heeft moeten leveren. Voor die prijs kon hij niet nóg een orgel (het ging om Nistelrode) leveren, “want dan zoude ik spoedig arm en dood dus doodarm zijn”. Over speekaard en windvoorziening lezen we weinig in de notities van Van Dijk. Wel vraagt hij bij sommige offertes nadere toelichting hierop, met name vraagt hij naar het gebruikte materiaal. Over het pijpenmateriaal had hij duidelijke ideeën. Een voorstel voor Oploo (rond 1862) geeft dat als volgt aan:
• gedekten 16 en 8 in het groot octaaf eiken, in het klein octaaf dennenhout (ook de Violoncello in het Pedaal);
• Prestant 8 in het front gepolijst tin, de rest, de Trompet en de Prestant 4 voor 2/3 tin;
• Bourdon 16 discant, Bourdon 8 discant, Flauto dolce 4, Octaaf 2 en de Mixtuur 3 sterk 2 voet alle 1/3 tin, evenals de strijkers;
• Flauto traverso 4 op het Positief van perenboomhout.
Bij andere voorstellen specificeert hij mensuren en prijzen per register. Klavieromvang Oploo: manualen C-g3, pedaal C-d1. Veel waarde hechtte broeder Gregorius aan de spelling van de “Viola da Gamba” steeds met “da” en verbeterde anderen op dat punt, ongetwijfeld op historische gronden. Na 1885 treffen we in zijn ontwerpende ‘Flûte Harmonique” aan en de “Æoline”. Ook verklaart hij zich in 1889 tegen het gebruik van elektrische tractuur, “zolang men daarmee nog niet op de rechte hoogte is”. Alles bijeen is veel van broeder Gregorius’ ideeën terug te vinden in het werk van de vroege Rütter. Van Dijk had nauwe connecties met deze orgelmaker en bezat veel disposities van diens orgels.

Donateurs

Donateurs hebben gratis toegang bij de concerten, van anderen wordt een vrijwillige bijdrage na afloop van het concert op prijs gesteld.
De kring wil het aantal donateurs graag uitbreiden: de donatie per seizoen voor zes concerten is ten minste € 20,- (€ 27,50 met partner).
NL79 RABO.0140.2066.04 onder vermelding van 'Donatie 2016' en uw postcode en huisnummer!


Info


Inlichtingen over organisatie, concerten en donateurschap:
tel. 0485 - 573212 (Boxmeer) of 0478 - 550230 (Venray). gregoriusvandijk[at]gmail.com
Postadres: Orgelkring 'Gregorius van Dijk'
Dieric Boutsstraat 18
5831 VN Boxmeer

logo Brabantse orgelfederatie Deze organisatie is vertegenwoordigd bij of lid van de Brabantse Orgelfederatie.






Betrokken kerken

De Orgelkring 'Gregorius van Dijk' verzorgt concerten en andere activiteiten in de volgende kerken in het Land van Cuijk en in Noord-Limburg:

Beugen
Maria ten Hemelopneming kerk

Boxmeer
Sint-Petrusbasiliek

Protestantse kerk

Kasteel Boxmeer

Cuijk
Hervormde kerk

Escharen
Sint-Lambertuskerk

Gassel
Sint-Jan de Doperkerk

Gennep (Limburg)
St. Martinus en Prot. kerk

Grave
Sint-Elisabethkerk

Protestantse kerk

Haps
Nicolaaskerk

Middelaar (Limburg)
HH. Lambertus en Brigidakerk


Mill
Sint-Willibrorduskerk

Oploo
Sint-Matthiaskerk

Ottersum (Limburg)
Johannes de Doperkerk

Sint Agatha
Kloosterkerk

 

De Orgelkring Gregorius van Dijk overkoepelt verder een paar orgelcomités:


Orgelcomité Sint-Anthonis

St.Anthonius Abt kerk

Orgelcomité Horst (Limburg)
St. Lambertuskerk

Orgelcomité Ottersum
(Limburg)
H. Johannes de Doperkerk

Orgelcomité Venray
(Limburg)

St. Petrus' Bandenkerk






'Gregorius van Dijk' orgelconcerten in 2017

Gratis toegang, vrije gave (richtbedrag € 5,-).

Als donateur weet u zich verzekerd van vrije toegang tot alle concerten en krijgt u tijdig een programma toegestuurd, indien gewenst per elektronische post.
Klik hier om u op te geven als donateur.





Zondag 30 april 2017
Venray, St. Petrus' Bandenkerk
, Grote Markt 24, 5801 BL Venray (Limburg)
Aanvang 16.00 uur.
Tommy van Doorn, orgel (Boxtel).


Zondag 21 mei 2017
Ottersum, Johannes de Doper
, St. Janstraat 13, 6595 AA Ottersum (Limburg)
Aanvang 16.00 uur.
De organist is bij het concert te zien op een groot scherm.
Tannie van Loon (Eindhoven), orgel.


Zondag 11 juni 2017
Grave, Sint-Elisabethkerk

Aanvang 16.00 uur.
Geert Verhallen (Mill), orgel.


Zondag 16 juli 2017
Sint Anthonis, Sint-Anthonis Abt kerk
Aanvang 16.00 uur.
Jan Verschuren (Sassenheim), orgel.



Woensdag 2 augustus 2017

Ottersum, Johannes de Doper
, St. Janstraat 13, 6595 AA Ottersum (Limburg)
De organist is bij het concert te zien op een groot scherm.
Aanvang 20.00 uur..
Jos Maters, orgel.


Zondag 27 augustus 2017
Gennep, Protestantse Kerk en Sint-Martinuskerk
(Limburg)
Aanvang 15.00 uur in Protestantse Kerk.
Er wordt gewandeld van de ene naar de andere kerk.
In het kader van 400 jaar stadhuis.
Geert Verhallen (Mill), orgels.


Zondag 10 september 2017
Venray, St. Petrus' Bandenkerk,
Grote Markt 24, 5801 BL Venray (Limburg)
Aanvang 16.00 uur.
Marcel Verheggen, orgel.


Zondag 8 oktober 2017
Horst, Sint-Lambertuskerk, St. Lambertusplein 16, 5961 EW Horst (Limburg)
Aanvang 16.00 uur.
De organist is bij het concert te zien op een groot scherm.
Tannie van Loon (Eindhoven), orgel.